Hobbyclub De Grijze Duif

Het begon ongeveer tweeëneenhalf jaar geleden, op een verjaardag bij een tante in Waalwijk. Een tante uit Dongen die daar aan de vruchtenbowl zat, kreeg een tas vol met verpakkingen van theezakjes mee. Zij wist wel iemand die zij daar een plezier mee zou kunnen doen, zo dacht de schenkster van de verpakkingen. Maar helaas, degene die zij op het oog had, hoefde de spullen niet meer. Mijn tante hoefde niet lang na te denken en zei dat zij zelf wel wat met de spullen kon doen: kaarten maken van de verpakkingen van theezakjes. En ik zei, zonder erbij na te denken: “O, dat kan ik ook.” Er werd een afspraak gemaakt en wij begonnen met onze hobby.

Mijn Dongense tante breide truien, maakte al lang kaarten, kettingen en weet ik wat allemaal niet meer. Een ijverige tante, die dame! Op een woensdagmiddag ging ik naar haar toe. Zij had al versterking gevraagd: haar overbuurvrouw. Gelukkig maar dat zij er was, want, zo bleek, het was helemaal niet zo gemakkelijk om de prachtige voorbeelden uit de boekjes na te maken en op kaarten te plakken! Mijn tante en ik worstelden voort. En uiteindelijk met resultaat: een paar prachtige kaarten, met creaties van theezakjes erop. Het verzenden van deze kaarten gebeurde met de grootste zorgvuldigheid. Niet iedereen kreeg tenslotte zomaar zo’n kaart, waar met zoveel energie aan gewerkt was.

Na een tijdje bleek dat dit soort kaarten maken toch niet ons ding was. Mijn tante ging door met de dingen waar zij goed in was en zij maakte voor mij een prachtige ketting van een lichtgroene binnenband van een fiets (ze bestaan echt!). Sterker nog: op een gegeven moment lag een hele berg ‘tubes’ (zo noemen ze de banden van fietsen die beroepswielrenners gebruiken) bij mij thuis in de gang. Een kennis van mijn man had daar voor gezorgd. Deze ‘tubes’ moesten nog uit elkaar gehaald worden om de (soms) kleurige binnenbanden te ontdekken, die daarna getransformeerd werden tot prachtige kettingen. Een tijdje daarna had een collega van mij het over een tasje dat zij een keer in een Afrikaans land had gekocht. Een tasje, gemaakt van lipjes van blikjes bier en fris. Wat een idee! Zo’n tasje wilde ik ook wel. Ik mocht het tasje lenen en mijn tante begon aan ‘haar opdracht’ voor mij. Tweewekelijks werden de vorderingen bekeken en besproken. Het leken soms echte werkoverleggen! Mijn tante knutselde vrolijk verder en ik maakte voor mijzelf een ketting. Wat was ik trots!

Toen het tasje uiteindelijk klaar was, moesten wij weer overleggen over de voering. De oplossing kwam snel: die voering zou ik wel breien en zo geschiedde. Het was niet helemaal zoals wij het vooraf bedacht hadden, maar het tasje werd echt prachtig. Zo, dat kon mee op de eerstvolgende cruise die ik ging maken! Geweldig!

Rond Sinterklaas vorig jaar breidde de hobbyclub zich uit. De vrouw van een van mijn vele neven deed het officiële verzoek of zij lid mocht worden van onze club. Wij, de drie leden vanaf het prille begin, gingen daar natuurlijk mee akkoord. Vooral toen zij ons omkocht met cadeautjes en een gedicht.

Er volgden vele leuke en gezellige middagen. Het tweejarig bestaan van de club werd, ietwat verlaat, dit voorjaar gevierd, compleet met heerlijk gebak (Red Velvet) en een licht alcoholisch drankje, Bellini. En dat allemaal op woensdagmiddag.

Op een van die woensdagmiddagen stond ik bij mijn tante voor de deur en toen hing er ineens een bordje op de voordeur met de tekst ‘Welkom bij Hobbyclub De Grijze Duif’. De man van mijn tante (technisch gezien dus mijn oom….) had die naam verzonnen. Wij moesten er vreselijk om lachen. Een andere tante, die toevallig op bezoek kwam, vond het verschrikkelijk en haalde het bordje meteen van de deur. En daar moesten wij dus ook weer om lachen: wij hebben allemaal wel de een of andere tint grijs haar!

Tijdens de hobbymiddagen hebben wij het liefst dat de mannen niet erbij zijn. Mijn neef werkt nog, de man van de overbuurvrouw komt nooit mee, maar mijn man en de man van mijn tante zijn er meestal wel. Gelukkig heeft die laatste man ook een groot aantal hobby’s. Hij verzint elke woensdag wel iets om te doen. Meestal gaat hij, samen met mijn man, ergens spullen halen om te verkopen of te hobbyen. Gelukkig, dan hebben wij weer tijd om te roddelen en te kletsen. Dat gaat toch beter zonder de mannen!

Nu wij zo’n tijdje met ons vieren aan het ‘werken’ zijn, blijkt er een verdeling te zijn die de leden van de club kenmerkt. Mijn tante is de gastvrouw. Zij heeft een kamer vol met allerlei spullen die voor al onze activiteiten te gebruiken zijn. Wij beginnen de middag met een kopje thee en een koekje of, als er iets te vieren is, iets anders. De vrouw van mijn neef is de alleskunner. Zij kijkt naar een patroontje van een tas of een gebreid paard en weet hoe zij daar het juiste model van kan maken. Zij is ook degene die het meeste praat van ons vieren (toch…?). De overbuurvrouw van mijn tante is degene die het hardste werkt. Stil genietend van onze, vaak loze, praatjes, maakt zij de ene kaart na de andere, borduurt het ene kraaltje na het andere op de kaarten of plakt de plaatjes in de juiste volgorde op het karton. En dan ik, ik merk dat ik eigenlijk niet zo’n kaartenmaker ben. Het mooiste voorbeeld daarvan zijn de kerst- en nieuwjaarskaarten die ik maakte om te versturen voor het jaar 2016. Ik was best trots op het resultaat, mooie engeltjes, geborduurd met een prachtig glinstergaren in allerlei kleurtjes. En wat bleek? Na onze ‘kerstvakantie’ lagen de kaarten met het opschrift 2016 nog netjes in het blikje dat mijn tante daarvoor had gereserveerd. Ja hoor, hobbyen optima forma kun je dat wel noemen. Maar niet getreurd, ik heb twee dingen erbij geplakt op de kaart: een plusje en een cijfer 1. De kaarten kan ik nu weer gebruiken voor 2017! Ik ben inmiddels maar gaan breien. Het vestje waar ik mee bezig ben is bedoeld voor de zomer. Waarschijnlijk heb ik het af in de zomer van 2017 en anders plak ik er ook maar een cijfertje 1 bij!