Vreemde
vogels

Je
komt in je leven zo heel wat verschillende vogels tegen. Soms hebben
ze vleugels en een snavel, soms lopen ze op twee benen en kunnen ze
praten. Je hebt het dan over vogels van verschillende pluimage, en
over een speciale soort vogels: de mens!

Wij
waren op een zonnige voorjaarsdag, met het openbaar vervoer,
afgereisd voor een feestje. Eigenlijk is die stad al een feestje op
zich. Omdat het die dag voor het eerst sinds lange tijd zonnig was,
zaten de terrasjes in de hoofdstad al vol. De mensen waren vrolijk,
het zag er gewoon gezellig uit.

Omdat
het al een tijdje geleden was, dat wij in de stad waren, konden we
natuurlijk het adres waar wij moesten zijn, niet in een keer vinden.
En aan wie vraag je dan de weg? Aan die man, zittend op een bankje
met twee halve liter pakken melk? Of toch maar die man die met zijn
kinderen langs de gracht loopt? Sorry, je raadt het natuurlijk al!:
het werd die man met zijn kinderen! Na de aanwijzingen liepen wij in
een keer naar het juiste adres, naar die vogelkooi, zal ik maar
zeggen, waar wij een aantal bijzondere exemplaren gingen bewonderen.

De
gastvrouw fladderde rond, haar veren waren nog niet helemaal in orde.
In fleurig paars dwarrelde zij, als een paradijsvogel, van de gang
naar de woonkamer, van de woonkamer naar de douche, intussen flink
snaterend. Wij mochten de kamer betreden. Een grijze duif zat op de
bank, werkelijk hélemaal grijs: van haar verantwoorde schoenen tot
aan haar jasje en haar haar, zelfs haar bril was grijs. De andere
vogels in de kooi hadden nog wat kleurtjes in hun veren. De taal die
zij spraken, was voor ons niet te verstaan, maar wij zijn dan ook
niet zo goed in de vreemde-vogel-taal. Keer na keer ging de bel en
sprak de dienstdoende vogel een boodschap in een apparaat. Even
later, want drie trappen omhoog, kwamen er weer vreemde vogels het
pand binnengevlogen. Eentje met een gebroken pootje, het gips om haar
enkel dezelfde kleur als haar kanariegele jasje.

Het
ergste waren de papegaaien en de aasgieren. De eersten waren een hele
middag aan het woord. Wij, als vreemde vogels, werden aangestaard,
want waar kwamen wij vandaan? Het donkere zuiden was nog niet bekend
bij deze noordelijke vogels. En de boel verkennen? Daar was het niet
het seizoen voor. De aasgieren vielen aan op elk eetbaar voorwerp in
de kamer. Voorzichtig als ik ben, liep ik naar de tafel waar een
groepje aasgieren stond. Ik pikte vlug iets lekkers en ging naar mijn
nestje. Mmmmm, dat was lekker. Een nieuwe poging leverde helaas geen
lekkere hapjes meer op……

Uiteindelijk,
moe maar tevree, zijn wij met het openbaar vervoer terug naar huis
gegaan. De vreemde vogels die wij die dag hebben gezien, bleven nog
lang in onze hoofden rondvliegen. Gelukkig leverde het ons geen
muizenissen op.

Op
het Looiersplein in Dongen vonden wij ook vreemde vogels. Zittend op
een terrasje of lopend over het plein. De veren van deze vogels waren
net zo uitbundig gekleurd als die van de vogels in Amsterdam. Grappig
om te zien dat op verschillende plaatsen dezelfde soorten vogels
leven. En ze doen ook hetzelfde: ze eten, drinken en kwetteren. En
ook in Dongen begrepen wij de vreemde-vogel-taal niet. Zoals die van
die mensen die naast ons zaten op het terrasje vol vreemde vogels. En
wij, natuurlijk, de huismussen, vrolijk drinkend uit ons waterbakje.
De vogels naast ons, van een soort die wij niet kenden, spraken een
taal die wij niet begrepen. Zij hadden het over cardologie en
catheriseren. Het kan zijn dat wij niet helemaal uitgeslapen waren,
maar die woorden kenden wij echt niet. De naam van de cardioloog,
want zo heet zo’n specialist uiteindelijk toch, kwam ons vreemd
voor. De vreemde vogel naast ons sprak over ‘Hamroedi’. Goed, het
is wel een Algerijn, die cardioloog (zijn echte naam is trouwens
Karim Hamraoui) maar hij spreekt toch onze Nederlandse vogel-taal
goed. Wij begrijpen zijn taal wel. Maar die van die vreemde vogels
naast ons op het terras, die snapten wij niet!

Vandaag,
een aantal jaren ná de belevenissen die hierboven beschreven staan,
zaten wij weer op het terrasje in het centrum van Dongen. Het plein
wordt opgeknapt, maar het is nu nog erg leeg. Toen wij op het
terrasje aankwamen, zat er een aantal vreemde vogels te lunchen.
Sommigen kwetterden zo hard, dat wij elkaar niet konden verstaan.
Gelukkig kenden wij een paar vogels wel en konden wij even met deze
vogels praten, in een taal die wij allemaal begrepen. Later werd het
steeds stiller op het plein. Wij dronken ons rosétje en ons biertje
en keken naar de vreemde vogels die uitvlogen: terug naar hun eigen
veilige, Dongense, nest!